11 Een en ander wordt door de thans uitgevoerde werken der waterverversching beoogd, die in beginsel hoogst een voudig zijn. In hoofdzaak bestaan deze werken uit een kanaal, dat de Haagsche grachten met de zee verbindt, aan het einde van welk kanaal uit den aard der zaak eene sluis noodig is ter keering van het zeewater bij hoogere standen dan voor Delflands boezem toelaatbaar zijn. Hierdoor wordt al dadelijk verkregen, dat een deel van het overtollige regenwater op Delflands gebied vallende, dóór den Haag naar zee wordt afgevoerd en dit klemt te meer, omdat de waterstand in zee vóór de nieuw gebouwde sluis in gewone gevallen lager daalt dan die in de rivier voor de aan de Maas gelegen sluizen. Er is dus reden om te onderstellen dat bij voorkeur het water naar deze zijde zal wegvloeien. Er zijn intusschen tijden des jaars waarin weinig regen water valt of althans niet meer dan door verdamping of opslorping van den bodem weder verloren gaat. In die tijden zou de waterverversching stil staan, maar men kan aan de Maaszijde water inlaten en telkens bij eb in zee loozen en alzoo nagenoeg een voortdurenden en regelmatigen stroom doen ontstaan. Het nieuw aangelegde kanaal vangt aan bij de gasfabriek terwijl in verband daarmede de vaart van de gasfabriek tot in de Zuid-Westsingelgracht langs de gemeente-Aseh- staal is verbreed. Dat kanaal heeft eene breedte in den bodem van 20 M. en eene diepte van 2,25 M. onder Delflands peilmet wederzijd- sche beloopen van 3 op 1 tot op 0,50 M. boven Delfland’s

Gedigitaliseerde gedrukte materialen Haags Gemeentearchief

Jaarboeken geschiedkundige vereniging Die Haghe | 1889 | | pagina 81